Maria Van Hout, de eerste overste van het Convent van Betlehem, werd vermoedelijk geboren omstreeks 1470-1480 in Udenhout. Zij leefde in een boeiende tijd waarin een religieus gunstig klimaat heerste.

Maria woonde in het maagdenhuis is Ooisterwijk, een centrum van verheven geestelijk leven. De kronieken van de Keulse karthuizers vermelden dat ze in 1532 in Oisterwijk woonde. In 1632 duikt de naam ' Betlehem' op voor het huis waar 12 vrouwen konden wonen en een godsvruchtig leven leidden.  Ze had toen reeds de zogenaamde ‘Kring van Oisterwijk’ rond zich verzameld, vrome vrije vrouwen.  Ze schreef zeer opmerkelijke geestelijke oefeningen en brieven.

De Keulse karthuizers hadden een grote bewondering voor haar.  Petrus Blomevenna, prior van 1506 - 1536, noemde getuigt over haar: ‘Deze Maria van Oisterwick, mijn dochter in Christus, maagd van wonderbare heiligheid, leidde in haar ouderlijk huis, zonder enige professie een monnikenleven.  Door haar gebeden en verdiensten wordt de Kerk sterk gesteund en wij hebben ervaren dat zij, die haar hun ziel aanbevelen, dagelijks in de volmaaktheid vooruitgaan.’